Als je kind niet wil eten.

“Papa ook eten.”

Informatie & advies

050-5239494

Print pagina

Je kind wil niet eten en je ziet dat het niet goed met hem gaat: om radeloos van te worden. Dat overkwam de jonge ouders Chantal en Arnout Kazemier bij hun tweede zoon Keano. Na enkele ziekenhuisopnames van Keano kregen de ouders uiteindelijk de hulp die ze nodig hadden. U leest in dit artikel hoe de hulp tot stand kwam en hoe alle partijen dit bijzondere traject hebben ervaren.

Arnout en Chantal zijn de ouders van Jamie en Keano. Keano krijgt als baby borstvoeding, maar wil geen fruithapjes of flesvoeding als hij een half jaar is. Het lukt de ouders niet hem te laten eten. Vele ziekenhuisopnames volgen, waarbij Keano langdurig sondevoeding krijgt.

Als Keano anderhalf is, wordt hij opgenomen in het Martiniziekenhuis, waar een succesvolle behandeling op gang komt waardoor Keano leert eten. Kinderarts Van Dijk benadert Bureau Jeugdzorg om voor het gezin Intensieve orthopedagogische gezinsbehandeling aan te vragen. De ouders willen graag een normaal gezinsleven kunnen leiden. Daarnaast moeten ze leren met Keano om te gaan bij het eten geven. Bureau Jeugdzorg (BJZ) zet Ambulante Spoedhulp (van Elker) in om een veiligheids- en risicotaxatie af te nemen in het gezin. Vervolgens zetten BJZ en Elker een hulptraject in gang bestaande uit: een kinderthuiszorgverpleegkundige voor begeleiding bij het eten geven in de thuissituatie, opname van Keano in het MKD voor drie dagen per week en ambulante intensieve gezinsbehandeling.

Uithuisplaatsing voorkomen

Ieke Kater schetst de hobbels die ze moest nemen om het hulptraject van de grond te krijgen: “Keano lag weer in het ziekenhuis, omdat de financiën voor kinderthuiszorg nog niet voorhanden waren. Hij was twee weken thuis geweest, er was geen begeleiding bij het eten geven en Keano kreeg een terugval. Met spoed hebben we toen een crisisoverleg belegd tussen BJZ en Elker. Het bleek dat het indicatie-orgaan CIZ weigerde een indicatie te geven voor kinderthuiszorg.” Djura van Riesen vult aan: “De kinderarts heeft toen met de wethouder gebeld van de gemeente waar het gezin woont. Die heeft gezorgd dat er voor de eerste zes weken geld kwam voor kinderthuiszorg. Ook al kwam aanvankelijk de hulpverlening dus niet goed op gang, door de samenwerking tussen Elker, de kinderarts, de Kinderthuiszorg en Bureau Jeugdzorg is het toch allemaal goed gekomen. Maar wat het belangrijkste is: de ouders hebben het heel goed opgepakt. Uiteindelijk is hiermee gelukkig de dreigende uithuisplaatsing, vanwege het feit dat hij thuis niet at, voorkomen.”

Heel gemotiveerd

Ambulant gezinsbehandelaar Wilma van der Heijden: “Toen Keano in het ziekenhuis had leren eten, maakte de kinderarts ons duidelijk dat er hulpverlening voor het gehele gezinssysteem moest komen. We moesten niet alleen langzaam toewerken naar een normale eetsituatie met het hele gezin, het was ook nodig om te werken aan de verstoorde interactiepatronen. Chantal en Arnout waren daar zelf ook heel stellig in. Zij hadden al zo hun best gedaan voor Keano, ze waren heel gemotiveerd.” Moeder Chantal: “Wij hadden al de hele tijd ervoor gevochten om hulp te krijgen.” Pedagogisch medewerker bij het Medisch Kinderdagverblijf Jolanda Kazemir beaamt dat de ouders van Keano erg betrokken zijn: “Keano kwam in de behandelgroep voor zeer jonge kinderen terecht, waar veel contact met de ouders is. Vanuit het Martiniziekenhuis kwam Keano al drie dagen per week naar het MKD. Als de taxi hem ’s middags weer naar het ziekenhuis bracht, stond moeder Chantal al te wachten om haar zoon naar de afdeling te brengen.”

Een tros bananen

Zodra Keano thuis was, kwam een verpleegkundige van Kinderthuiszorg om Chantal te begeleiden bij het eten geven van Keano. Ze bouwden voort op het behandelplan van het ziekenhuis. Wilma: “Toen we de tijd rijp vonden om vader bij het eten te betrekken, ging hij inde kamer zogenaamd de krant zitten lezen.” Arnout vervolgt: “Voordien mochten Jamie en ik helemaal niet bij het eten zijn. Dan at Chantal alleen met Keano en wij zaten boven. Des te mooier was het om mee te maken hoe Keano mij toen vroeg: ‘Papa ook eten?” Wilma: “Toen Keano zich veilig genoeg voelde, kon Arnout ook aanschuiven.” Jolanda Kazemir: “Ook op het MKD ging het eten heel snel vooruit. We begonnen met Keano hele kleine beetjes te geven. Eerst schoof hij dan zijn bordje weg of zei ‘nee’. Wij lieten het bordje gewoon staan en reageerden neutraal. Maar hij zag de andere kinderen natuurlijk gewoon eten. Dus pakte hij zijn bordje weer en nam ook een hapje.” Chantal: “Zo ging het steeds iets beter met het eten. Nu eet Keano gewoon goed, hij is vooral dol op fruit. Hij en Jamie mochten deze week samen met mijn zusje iets lekkers gaan kopen. Terwijl Jamie thuiskwam met een zak lollies, had Keano een tros bananen gekozen.”

Kaarsjes op tafel

Wilma: “Natuurlijk keek ik als gezinsbehandelaar naar het hele gezinssysteem: samen met de ouders heb ik de gezinscontext onderzocht en geanalyseerd. We spraken vooral over de voorgeschiedenis van beide ouders, de wederzijdse invloeden van de omgeving op het gezin en wat het betekende voor Chantal en Arnout om op zo’n jonge leeftijd ongepland een gezin te moeten vormen. Chantal en Arnout hebben zich heel kwetsbaar op durven stellen in deze gesprekken. Het waren zeer diepgaande, intense gesprekken die uiteindelijk geholpen hebben om de verstoorde interactiepatronen te veranderen. Deze ouders hadden voor zij bij het Martiniziekenhuis kwamen een traject bij andere ziekenhuizen en hulpverleners gehad. Daar hadden ze onterecht regelmatig te horen gekregen, dat ze niet goed voor Keano zorgden. Ik gaf mijzelf als hulpverlener de opdracht om deze ouders te ontschuldigen. Ze deden immers zo enorm goed hun best. En we verzonnen van alles om het eetplezier van Keano te vergroten.” Chantal: “We bedachten hoe we het eten voor Keano aantrekkelijk konden maken. Zo zetten we kaarsjes neer op tafel, die hij mocht uitblazen. Hij is gefascineerd door lichtjes. Daarom werkte dat heel goed. En nog steeds doen we dat af en toe.”

“Hij kan naar huis”

Jolanda Kazemir kenschetst het contact met de verschillende hulpverleners als prettig: “We hadden af en toe zorgoverleg, ik had regelmatig contact met Wilma van der Heijden en met de ouders. We wisten van elkaar wat we wilden bereiken en welke rol ieder daarin had. De neuzen stonden dus dezelfde kant op. Na verloop van tijd vroeg ik Chantal hoe het ging. Omdat het thuis ook heel goed liep, zei Chantal: ‘Hij kan naar huis.’ Dat was een prachtig moment.” Wilma: “Ik ben heel trots op de wijze waarop Arnout en Chantal dit allemaal hebben opgepakt. Het was fantastisch om met hun samen te werken.” Chantal: “Voor ons was heel belangrijk dat je onze deskundigheid als ouders bevestigde, dat je ons op gelijk niveau behandelde. Je nam ons serieus.” Arnout: “We bleven in onszelf geloven. Voor het eerst hadden we het gevoel: ‘Nu gaat het wel lukken’.“